Quid pro quo – Hoe relevant is RAAP werkelijk voor Kwantum/Vitra?

Door Djamo van Luttervelt 

 

Industriële vormgeving (design) is het probleemkind in de familie van de intellectuele eigendom.

– P.B. Hugenholtz, 2021 [1]

 

Inleiding

In maart zal het Hof van Justitie zich buigen over de vraag of de Nederlandse rechter de materiële reciprociteitstoets uit artikel 2(7) van de Berner Conventie (BC) mag toepassen in een conflict tussen partijen uit een EU-lidstaat enerzijds, en een derde land anderzijds. De Hoge Raad (HR) heeft prejudiciële vragen hieromtrent gesteld in de zaak Kwantum/Vitra [2] vanwege, onder andere, de recente RAAPuitspraak van het Hof. [3] Daar oordeelde het Hof dat het toetsen van een specifieke vorm van reciprociteit uit het WIPO Performances and Phonograms Treaty (WPPT) niet meer binnen de competentie van de nationale rechters ligt. Dit korte stukje zal, enigszins ongenuanceerd, de relevantie van RAAP voor Kwantum/Vitra in twijfel trekken.

 

Wat is de materiële reciprociteitstoets?

Voor wat hoort wat, zo gaat dat in de internationale politieke koehandel rondom multilaterale verdragen. Dit is niet anders als het om het intellectuele eigendomsrecht gaat. Bij de totstandkoming van de BC ontstond er getouwtrek over het assimilatiebeginsel, ofwel het idee dat binnen een BC-lidstaat makers uit andere lidstaten minstens even goed beschermd moeten zijn als nationale makers. Dit bleek vooral een probleem te zijn bij de bepaling omtrent de cumulatie van auteurs- en modelrechtelijke bescherming bij industriële vormgeving. [4] De verhandeling van dat kalf werd daarom aan voorwaarden onderworpen. Zo lezen we in de eerste volzin van artikel 2(7) BC dat het verdrag de lidstaten vrij laat om zelf te bepalen in hoeverre auteurs- en modelrecht in hun nationale rechtsstelsels kunnen en mogen overlappen. Maar, zo stelt de tweede volzin, een maker kan in een ander unieland enkel auteursrecht claimen op een werk van toegepaste kunst mits dat werk ook auteursrecht geniet in het unieland van oorsprong. Ten faveure van beknoptheid, slaan we even de moeilijkheden rondom definities en toepassingsvoorwaarden over. Onthoud kort en simpel: quid pro quo

Het gaat dus om een reciprociteitstoets die door een internationaal verdrag op dwingende wijze wordt opgelegd aan de lidstaten. Waarom zou de Nederlandse rechter deze dan niet mogen toepassen op het conflict in Kwantum/Vitra? In die zaak wenst Vitra in Nederland (BC-lidstaat) auteursrechtelijke bescherming in te roepen voor een designstoel die dergelijke bescherming niet geniet in het land van oorsprong, namelijk de VS (ook een BC-lidstaat). Uitgeknipte situatie, dacht ook AG Drijber. De HR had echter zijn twijfels, vooral omdat het Hof in de RAAP-uitspraak van 2020 had besloten dat de competentie voor een reciprociteitstoets omtrent naburige rechten uit de WPPT niet meer bij nationale instituten rust, maar bij de EU. Meten is weten, moet de HR gedacht hebben, dus dan maar prejudiciële vragen.

 

De relevantie van RAAP

Maar hoe relevant is die uitspraak nu werkelijk? Ondanks dat er in de literatuur al gespeculeerd is over hoe algemeen het Hof die conclusie heeft willen trekken, is het allesbehalve vanzelfsprekend dat dit ook zomaar kan. Het ging daar namelijk over een ander verdrag, een ander toepassingscriterium en een ander intellectueel eigendomsrecht. Laat ons die verschillen eens van naderbij bekijken.

 

WPPT vs. BC

Allereerst is het van belang om de rol van deze twee verschillende verdragen ten aanzien van de rechtsorde van de EU te duiden. De WPPT is onderdeel van dat rechtsstelsel, gezien de EU partij is bij dat verdrag. Dit laat daardoor geen ruimte voor EU-lidstaten om hun eigen weg te bewandelen in de naleving van de WPPT, maar geeft de EU daarover het laatste woord onder de wakende ogen van het Hof. [5] Dit is niet het geval voor de BC, waarbij de EU geen partij is. Wel is de EU partij bij de WIPO Copyright Treaty (WCT) en de TRIPS Overeenkomst, zodat de Unie de belangrijkste BC-bepalingen zoals artikel 2(7) dient te respecteren. [6] Het gaat te ver om te stellen dat daardoor plots de verplichtingen en privileges van BC-lidstaten die ook EU-lidstaten zijn, worden gederogeerd aan de EU. De WCT en TRIPS staan dat ook helemaal niet toe. [7]

 

Omdat het kan vs. omdat het moet

Daarnaast gaat het in de WPPT om een soort discretionaire bevoegdheid om reciprociteit toe te passen. Het betreft namelijk een specifieke uitzondering op het assimilatiebeginsel waarbij een lidstaat niet verplicht is nationale behandeling toe te passen omtrent de beloning van uitvoerende kunstenaars en fonogramproducenten uit andere WPPT-landen, wanneer een dergelijk land zelf een voorbehoud heeft gemaakt bij dit aspect van het verdrag. [8] Deze bepaling staat er an sich niet aan in de weg dat er toch een sympathieker regime wordt gehanteerd op nationaal niveau. In de BC daarentegen is de reciprociteitstoets dwingend voorgeschreven, waardoor een rechter deze steeds ambtshalve dient toe te passen. Dus, waar er bij de WPPT mogelijk de vraag zou kunnen opkomen of de rechter al dan niet de reciprociteitstoets achterwege zou mogen laten, kan er daar bij de BC geen sprake van zijn. De Nederlandse rechter moet de toets uitvoeren in een geval zoals Kwantum/Vitra.

 

Vergoedingsrecht vs. verbodsrecht

Ten slotte gaat het in RAAP en Kwantum/Vitra om verschillende intellectuele eigendomsrechten met verschillende ratio’s. Nabuurrechthebbenden hebben bij de verspreiding van hun opnames niet altijd een verbodsrecht, zoals auteurs- en modelrechthebbenden, maar soms slechts een vergoedingsrecht. [9] Zo ook in RAAP, waar musici uit de VS, die het gebruik van hun fonogrammen in Ierland niet konden verbieden, niet beloond werden voor dat gebruik terwijl er wel winst op werd gemaakt. Deze korte (en kort-door-de-bochtige) weergave van de situatie in RAAP voelt oneerlijk met het oog op de vergoedingsratio. Dat het Hof hier paal en perk aan stelde, voelt dan ook (wederom kort door de bocht) eerlijk

Bij Kwantum/Vitra ligt dat toch anders. Vitra wil zich beroepen op een intellectueel eigendomsrecht dat ze volgens de BC helemaal niet heeft, om zo andere commerciële partijen te verbieden stoelen te produceren die op haar designstoel lijken. Zou de stoel van Vitra ooit in aanmerking zijn gekomen voor modelrecht in Nederland, dan zou die ondertussen ook al verlopen zijn gezien het model dateert uit 1950. En daar knelt nu net het schoentje der eerlijkheid: de ratio achter het modelrecht is om de rechthebbende tijdelijk het alleenrecht op een model te geven om zo haar investeringen terug te winnen en een voorsprong te nemen op de markt voordat iedereen mag voortbouwen op haar werk. Ofwel, gezien Vitra zich volgens de BC alleen op het Nederlands modelrecht kan beroepen, waar ze in dit geval geen aanspraak meer op kan maken, zou het commercieel oneerlijk zijn om de beschermingstermijn van haar stoelontwerp te verlengen via het auteursrecht.

 

Conclusie

Aldus komen we tot het einde van deze kleine tirade waaruit mag blijken dat de HR de relevantie van RAAP voor het komen tot een beslissing in Kwantum/Vitra sterk overschat. Meer nog, uit bovenstaande punten kan worden besloten dat de Nederlandse rechter de materiële reciprociteitstoets ambtshalve moet uitvoeren en aldus tot het besluit zal komen dat Vitra zich niet kan beroepen op het auteursrecht. Maar hoe dienen wij ons hierbij te voelen? Extatisch, omdat intellectuele eigendomsrechten van nature al aanzienlijke beperkingen opleggen aan de mededinging, en minder van dergelijke bescherming dus gunstiger zou zijn? Blij, omdat regels nu eenmaal regels zijn en wij als deontologen waarde hechten aan rechtszekerheid? Of triest, omdat die arme designers uit landen die hen niet overvloedig willen beschermen daarvan ook de dupe zijn in Nederland? Ik ga voorzichtig voor tevreden, want zolang dit soort vraagstukken bestaan, is er een markt voor ons IViR-volk.

 


 

Verwijzingen 

 [1] P.B. Hugenholtz, annotatie bij HvJ 11 juni 2020, C-833/18, ECLI:EU:C:2020:461 (Brompton Bicycle), NJ 2021/175.

[2] HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:508 (Kwantum/Vitra).

[3] HvJEU 8 september 2020, C-265/19, ECLI:EU:C:2020:677 (RAAP/PPI).

[4] De termen ‘industriële vormgeving’, ‘design’ en ‘werk van toegepaste kunst’ worden voor het doel van dit artikel als synoniemen beschouwd.

[5] Zie artikel 207(1) jo. 3(1)(e) VWEU omtrent de exclusieve competentie van de EU als het gaat om de commerciële aspecten van het intellectueel eigendomsrecht.

[6] Zie artikelen 1(4) WCT en 9(1) TRIPS.

[7] Zie artikelen 1(2) WCT en 2(2) TRIPS. 

[8] Artikel 4(2) WPPT.

[9] Zie, bijvoorbeeld, artikel 15(1) WPPT omtrent het vergoedingsrecht bij de uitzending van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen; en artikel 7(1) Wet naburige rechten omtrent het Nederlandse vergoedingsrecht bij het uitzenden, heruitzenden of openbaar ten gehore brengen van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord