SVIR ZOEKT NIEUWE BESTUURSLEDEN

De Studievereniging voor Informatierecht is weer opzoek naar nieuwe bestuursleden voor het jaar 2019/2020!
Lijkt het jou leuk om naast je master informatierecht betrokken te zijn bij het organiseren van alle activiteiten voor onze actieve studievereniging? Twijfel dat niet en solliciteer!

Als bestuur ben je verantwoordelijk voor het draaiend houden van de hele studievereniging. De SViR is kleinschalig en daarom des te leuker: iedereen wordt lid en iedereen is actief betrokken. We organiseren zowel studiegerelateerde als sociale activiteiten, en aan het einde van het jaar vindt de grote studiereis plaats. Lijkt dit jou de perfecte toevoeging aan jouw master Informatierecht? Geef je dan nu op door de CV en sollicitatiebrief te mailen naar secretaris@svir.nl. Je kunt solliciteren voor één van de volgende functies: voorzitter, secretaris, commissaris extern of penningmeester. Mocht je vragen hebben (over één van deze functies), schroom dan niet om contact met ons op te nemen via bovenstaand mailadres of het algemene mailadres van de SViR: stuvir@gmail.com.

We zien jullie sollicitaties graag tegemoet!

Een reisje door de IE-jungle: don’t feed the animals!

Door Julia van der Veen

Je zou het niet denken, maar ook dieren kunnen IE-rechtelijk beschermd worden. Heb je daar ooit bij stilgestaan bij het pakken van een bokkenpootje, apenkop of roze biggetje? Eentje kun je er nog wel eten zonder een schuldgevoel te krijgen maar meer gevaarlijke dieren zoals poema’s, tijgers of dino’s kun je misschien maar beter niet uit hun verpakking lokken. Een illustratie van drie IE-dierenzakendon’t feed the animals!

Puma’s

In de IE-jungle begon het natuurlijk allemaal met het HvJEU-arrest Puma/Sabel uit 1997 waarin de vraag voorlag of de springende roofkat van Sabel inbreuk maakte op de poema van Puma. Het HvJEU oordeelde dat hoe groter de onderscheidingskracht van een merk is, hoe groter het verwarringsgevaar is. Dat verwarringsgevaar moet beoordeeld worden aan de hand van de visuele, auditieve en begripsmatige gelijkenis en de totaalindruk die de merken oproepen. De gemiddelde consument neemt namelijk een merk in zijn geheel waar en let niet op de verschillende details ervan.

Tijgers & giraffen

Dat in gedachte hebbende, was er eens de Tijgernoot van het welbekende merk Duyvis. De bamischijf onder de borrelhappen, de snack die je alleen maar eet als al het andere écht op is en waarvan je nooit weet of het nou de baconkaas, de BBQ-paprika of de paprikafiestavariant is. Op een dag verscheen ergens in de bovenste schappen in de Aldi-supermarkten de Girafnoot. Verkrijgbaar in de smaak baconkaas, in vergelijkbare kleur– en vorm en vormgegeven in dezelfde junglegroene verpakking als de Duyvis Tijgernoot. Over auteursrecht op (bacon)-kaassmaak valt natuurlijk niet te twisten, zo leerden wij van de Heksenkaas-affaire. Frito-Lay, de eigenaar van Duyvis stak zijn claim dan ook merkenrechtelijk in.

Tijger woordmerk

De Gelderse rechter oordeelde op 27 maart jl. allereerst dat het woordmerkTijgernootjes’ niet zó bekend is dat het tot soortnaam verworden is. Jammer genoeg verwees Intersnack, het bedrijf achter de Girafnoot bij zijn claim slechts naar een bronloze publicatie (hier te vinden) waar het Tijgernootje wordt gedefinieerd als ‘een borrelnoot waarvan het krokante laagje meerdere kleuren heeft. Waarschijnlijk heeft de advocaat van Intersnack bij zijn spreekbeurten, al dan niet over borrelnootjes, op de basisschool niet geleerd dat Wikipedia geen betrouwbare bron is. Daarnaast oordeelde de rechter dat het teken Girafnoot geen inbreuk maakt op het woordmerk Tijgernoot. Tijgers en giraffen stemmen auditief, begripsmatig en visueel verrassend genoeg niet voldoende overeen waardoor er geen verwarringsgevaar ontstaat.

Tijger vorm- en beeldmerk

Over het uiterlijk van de Tijgernoot bleef Frito-Lay op haar strepen staan. Het bedrijf beriep zich op het samengestelde vorm en kleurmerk van de Tijgernoot: de geschakeerde oranje, bruine en gele kleurcombinatie toegepast op de specifieke ronde nootvorm. De rechter oordeelde dat het patroon van de tijgernoot voldoende karakteristiek en herkenbaar is voor het publiek en dat Tijgernootjes dus voldoende onderscheidend vermogen hebben. Dit ondanks dat het onmogelijk is om fabrieksmatig alle noten er hetzelfde uit te laten zien.

Intersnack betoogde dat door toepassing van het procedé waar Frito-Lay een – inmiddels verlopen octrooi op heeft, de tijgernootjes naar hun aard een fraai en aantrekkelijk gevlekt uiterlijk hebben. Door een merkenrecht toe te kennen op het gevlekte uiterlijk van de Tijgernootjes, zou zo via dat merkenrecht een algemene beschikbaarheid van innovatie – lees de mogelijkheid om nootjes een gevlekt uiterlijk te geven – tegen worden gehouden. Jammer genoeg ging de rechter hier verder niet op in. Wel oordeelde deze in lijn van het Louboutin-arrest van het HvJEU dat het niet alleen om een bescherming van de vorm van de Tijgernoot gaat, maar juist om het kleurpatroon op die ronde tijgernootvorm. Zo ontkomt Frito-Lay dus aan ‘aard van de waar’ en de ‘wezenlijke waarde van de waar’-beperkingen. Helaas is de Tijgernoot al ingeschreven voor 1 maart 2019 waardoor de rechter het gewijzigde BVIE-artikel buiten beschouwing laat waarin niet alleen de vorm maar ook ‘een ander kenmerk’ van het product moet worden meegenomen in de beoordeling. We zullen dus nooit weten of de rechter de kleurencombinatie te mooi zou vinden om voor merkenrechtelijke bescherming in aanmerking te komen.

Al met al zal het publiek, al dan niet borrelnootliefhebber, in Girafnootjes hetzelfde patroon herkennen als in Tijgernootjes, terwijl de verschillen tussen individuele noten aan de aandacht van de gemiddelde consument zullen ontsnappen. Daarmee is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van identieke merken en zetten de tijgers de giraffen buitenspel. Op de vraag of de Tijgernoot een bekend merk is geeft de rechter helaas geen antwoord. Als de consument alleen al een verband tussen de Tijger- en Girafnoot ziet dan zou dat al op zich al een sterke aanwijzing voor merkinbreuk zijn geweest. En tsja, de gemiddelde consument weet dat Wikipedia, waar onder het kopje borrelnoot slechts de Tijgernoot en niet de Girafnoot staat vermeld, toch wel wereldfaam genereert.

Dino’s

Dan nog even een kort uitstapje naar het warme zuiden van Europa, waar de Catalanen nog in het Dinotijdperk leven. Daar oordeelde de Commercial Court of Barcelona in een met de Tijgernootjes vergelijkbare zaak dat een dinosauruskoekje niet gemonopoliseerd kan worden.

Dino woordmerk

Allereerst oordeelde de rechter dat het woordmerk ‘Dinosaurus’ van Artiach, het moederbedrijf van de Dinos, auditief, visueel en begripsmatig niet voldoende overeenstemt met het teken ‘Galle Sauros’ van Florbu. De woorden klinken immers anders en een galle sauros is toch echt niet hetzelfde als een dinosaurus.

Dino beeld- en vormmerk

Ook besloot de Spaanse rechter dat het beeldmerk wat Artiach inriep niet het driedimensionale merk op de koekjes omvat, maar slechts een vrij algemene weergave van dinosaurussen. Tsja, daar win je het niet mee. De dinosaurusvorm bleek onvoldoende onderscheidend vermogen te bezitten en Artiach kon geen inbreuk claimen op basis van haar dinosaurus-merkenrecht.

Ook nam de rechter in zijn beoordeling nog mee dat Dinosauruskoekjes in zakjes zijn verpakt en bestemd zijn als tussendoortje, terwijl Galle Sauros koekjes meer bedoeld zijn om thuis te eten als cornflakes. Ook de verpakking van de Galle Sauros koekjes maakte dus geen inbreuk op de verpakking van de Dinos en zo ontsnapten de Galle Saurossen aan een grote meteorietinslag.

Don’t feed the animals they feed you

Concluderend is de moraal van het verhaal: laat jezelf lekker gaan als je na het lezen van dit verhaal toch nog zin hebt in een Tijgernootje of een Dinokoekje. Uiteindelijk gaat het namelijk allemaal om de smaak, die nog wel vrij rond kan lopen in de IE-jungle. Girafnootjes zijn wel even tijdelijk uit de schappen, maar wie weet verschijnt er binnenkort toevallig een meer onschuldige hamster- of cavia borrelnootvariant waarvan het verwarringsgevaar met de tijger al helemaal niet aan de orde is. En wat betreft de Dino’s, die zijn toch uitgestorven, dus maak je geen zorgen!

AANKOMEND MASTERSTUDENTEN OPGELET!

De aanmelding voor de master Informatierecht is geopend. Heb jij affiniteit met het informatierecht, en wil jij een leuk en leerzaam jaar beleven samen met een groep andere gemotiveerde studenten? Meld je dan zo snel mogelijk aan op de website! Wij kunnen de opleiding in ieder geval van harte aanbevelen! De inschrijving staat nog tot 15 mei open.

https://www.uva.nl/programmas/masters/informatierecht/informatierecht.html?1556094718971

 

How European media law and policy should deal with selected challenges and opportunities for quality journalism in the digital age

Reading time: 4 minutes and 39 seconds (931 words).
By: Sara Azerki

This statement could also contain the terms computer age, information age or the new media age instead of the digital age since all of these terms are interchangeable with each other and refer to an economy based on information technology.    

MSI-JOQ AS A RESPONSE TO A WIR-WAR OF NEWS

Last February 2018 the newly formed Committee of experts on quality journalism in the digital age (‘MSI-JOQ’) filled a Draft Recommendation, which contains criteria and measures for ensuring a favourable environment for the practice of quality journalism in the digital age. Because the Council of Europe (‘COE’) is aware of the internet as a unique environment for the exercising of human rights, the COE drafts standard settings to address challenges to ensure people’s maximum freedom and safety. Those standard settings are often achieved in collaboration with experts, just like this cooperation with the MSI-JOQ. The main purpose of the (draft) recommendation is to clarify the important role that journalists play in providing accurate and relevant information, free from a double agenda. Since the challenges and opportunities resulting from the changes brought by the digitalisation of the media environment are changing, the (draft) recommendation tries to recognize both established and new media actors who contribute to the public debate by journalistic activities and who fulfil a public watchdog function.   

Yep, we have to admit that we are about to leave the third industrial revolution also known as the digital revolution. This third industrial revolution, which began somewhere in 1950-1970, famous for replacing mechanic and analogue electronics by digital electronics and in which the world wide web (‘www’) was launched for the first time in 1991. Ever since, information became quickly, widely and easily available through upcoming technology and nowadays we can use more than just the world wide web: we have the right of accessing the Internet of Things (ECtHR December 18, 2012, Yildirim v. Turkey). The increased amount of available information and technological developments have the effect of causing our human lives to emerge more and more with technology. That is why according to Klaus Schwab we already living in the fourth industrial revolution. Since information is now everywhere in this digital age, we need journalists more than ever.

But why do we need journalists more than ever since all the information is already available? According to Richard Sambrook, the answer is information smog (see his interesting Ted Talk “Information Smog”). Since so many new media actors are joining the public debate, the more discussion, the more complexity there is. We, as a citizen, are not able to filter all this information enough to use it for a better purpose, as a consequence, this information smog can generate more and more filter bubbles. Moreover, keeping in mind that by the advanced technology many citizen-journalists and intermediaries can edit, minister and create media content, compliance with journalistic ethics takes on added importance (ECtHR December 10, 2007, Stoll). After all, news in its raw form is different from journalism (see the video of Margo Smit, “Why do we still need journalists now that we have Twitter?”).  

Just a little recap… Journalists play an important role in a democratic society. They are responsible for distributing information and thereby creating a platform for the public debate: they have a public watchdog function (ECtHR April 26, 1979, Sunday Times, ECtHR November 26, 1991, The Observer and Guardian). Based on Article 10(1) ECHR everyone has the right to freedom of expression which also contains the right to be informed about all public matters (ECtHR February 24, 1997, De Haes and Gijsels) without interference and to participate in the public debate. These human rights apply either online or offline (see COE’s “Guide to human rights for internet users”). But you don’t get something for nothing: this right of freedom of expression is subject to certain duties and responsibilities, which varies per situation, per person and per used technology. In other words, Article 10 ECHR protects journalists on spreading information on issues of general interest provided that they are acting in good faith and on an accurate factual basis and provide reliable and prices information in accordance with the ethics of journalism. (ECtHR January 21, 1999, Fressoz en Roire).

So the important question is not whether human rights apply equally online and offline because they do, but whether standards of journalistic ethics apply equally to other media actors such as citizen- journalists and online news media platforms. By extending the same rights and duties of journalism to new media actors contributing to the public debate or in a function of public watchdog, a chilling effect can maybe occur to exercise their freedom of expression. Maybe this chilling effect can reduce the wir-war of news.

Because of the overload of information in the digital age, we need our information to be fact-checked and trustworthy. Because of this idea, we can not just leave the creation of news to the new media actors for whom is not sure whether they fall under the ethics of journalism. Luckily, journalism has always known different variants and different goals and its core character shall – hopefully – possibly be strengthened further as more actors participate in an increasingly noisy public debate (T. McCongale, “How to address current threats to journalism?”). Furthermore, we as recipients must always be critical and use our media literacy in the new media age.

The (draft) Recommendation of the MSI-JOQ is based upon both existing standards of the Council of Europe and case-law of the European Court of Human Rights and seeks to elaborate on this topic further.

Interested in this topic? On the 21st and 22nd of March 2019, the MSI-JOQ holds its third meeting. The agenda for this meeting is already online. Moreover, some of the above links refer to interesting videos about the quality of journalism.

 

De volgende stap in de Open Access-revolutie: Open Data.

Het online, openbaar toegankelijk stellen van onderzoeksresultaten is inmiddels gemeengoed geworden en dit zogenoemdeOpen Accesspubliceren wint ongelooflijk aan vaart. Zo hebben afgelopen november 12 EU-lidstaten en hun nationale onderzoeksfinancieringsinstuten “Plan S” ondertekend waarin ze zich committeren aan het Open Access publiceren van alle met publieke middelen gefinancierde onderzoeken.[1]Nu de Open Accessgolf steeds krachtiger wordt, dient de volgende stap in deze Open Sciencerevolutie zich al aan: het online, openbaar en onbeperkt bruikbaar ter beschikking stellen van de aan de publicaties ten grondslag liggende onderzoeksdata. Oftewel: Open Data.

Maar zo ver gevorderd als de Open Accesspraktijk inmiddels is, zo in de kinderschoenen staat het openbaar maken van de onderzoeksdata en veel is nodig om ook op het gebied van Open Dataeen krachtige beweging te creeeren. Gezien de enorme potentie die het ter beschikking stellen van onderzoeksdata heeft loont het om een goed overzicht te krijgen van de huidige ontwikkelingen op dit gebied en de obstakels die de verdere ontwikkeling in de weg staan.

De ongekende potentie van Open Data

Voor wat exact verstaan moet worden onder onderzoeksdata en wat precies het Open Accesspubliceren van die data inhoudt, bestaat geen uniforme juridische definitie. In de literatuur is men het er over eens dat in ieder de data zo veel mogelijk ontdaan moet zijn van enige IE-rechtelijke contstricties. Hierdoor is de data te allen tijde inzichtelijk én herbruikbaar, en valt het grotendeels in het publieke domein.[2]Ten tweede zijn de FAIR-principlesvan belang. Deze principes stellen dat de data findable, accessible, interoperable enreusable moet zijn, en zien daarmee grotendeels op de technische maatregelen die de data niet slecht in naam, maar ook praktisch (her)bruikbaar maken.[3]Wat betreft de onderzoeksdata zelf wordt doorgaans gekozen voor een zeer brede definitie die alle data omvat die dient ter staving of verificatie van onderzoeksresultaten.[4]

Het bedenken van de mogelijke voordelen van een degelijk Open Databeleid vergt niet veel fantasie. Stel je voor dat alle onderzoeksdata die ten grondslag liggen aan de onderzoeken die gepubliceerd worden gemakkelijk online toegankelijk, compatibel, doorzoekbaar en onbeperkt herbruikbaar zijn. De mogelijkheden zijn bijna oneindig. Onderzoeken kunnen zo veel gemakkelijker geverifieerd of gefalsificeerd worden, wat leidt tot kwalitatief betere wetenschap. Daarnaast zijn de nieuwe onderzoeken die op basis van deze dataweelde gevoerd worden vrijwel onbeperkt. Ook buiten de wetenschap zal deze data een enorme invloed kunnen hebben in de vorm van private partijen die op basis van de data nieuwe, innovatieve producten op de markt kunnen brengen. Denk bijvoorbeeld aan een Buienradar die, op basis van openbare gegevens van het KNMI, mensen dagelijks het leven makkelijker maakt.[5]

Daarnaast brengt een volledig Open Databeleid ons als maatschappij een stap dichterbij de broodnodige democratisering van de wetenschap en het vervullen van het uiteindelijke doel van de universiteit: het duiden en waar mogelijk verbeteren van de wereld waar wij in leven. Dit geldt natuurlijk des te meer voor wetenschap die met publieke middelen gefinancierd wordt, de maatschappij heeft immers recht toegang tot de kennis die het zelf doet produceren.

De hobbelige weg in het verschiet

Hoewel de voordelen en zelfs de noodzaak tot een beweging in deze richting algemeen geaccepteerd worden, gaapt een reusachtig gat tussen idealistische toekomstperspectieven en de daadwerkelijke situatie. Zeer veel (juridische) obstakels staan in de weg van een Open Data-beleid, waarvan een aantal hier de revue zullen passeren.

Allereerst is in tegenstelling tot bij de wetenschappelijke publicaties zelf, bij de data de IE-rechtelijke status zeer onduidelijk. Op een publicatie rust altijd een auteursrecht wat met een simpele licentie  Open Access openbaar gemaakt kan worden.[6]Ingeval van data en datasets is de juridische status echter lang niet altijd helder. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een auteursrecht rust op een dataset(/bank), dit komt echter niet vaak voor en daarnaast verschillen de omstandigheden waaronder een degelijke dataset onder het auteursrecht valt per jurisdictie. Ook de toepasselijkheid van het EU sui generisidatabankenrecht is niet altijd helder.[7]Deze onduidelijkheid over de juridische status leidt ook tot moeilijkheden met betrekking tot de licenties, zoals een grote verscheidenheid aan vaak incompatibele licenties en het gevaar tot een te zware licentie, waarbij aan rechtenvrije datasets toch per ongelijk IE-rechten wordt toegekend.[8]

Nauw verboden met deze problematiek is het gebrek aan externe motivatie voor de onderzoekers om zelf hun data openbaar te maken. Wanneer er geen rechten rusten op de data of wanneer er geen maatwerk mogelijk is in de licenties, raken onderzoekers alle controle kwijt over hun data op het moment van publicatie. Dit leidt enerzijds tot angst voor misbruik van de data en anderzijds tot een gebrek aan mogelijkheden om de data economisch te verzilveren. Dit is vervolgens ook problematisch bij publiek-private samenwerkingen in de wetenschap. Het is dus wenselijk dat  wetenschappers enige controle houden over de wijze waarop de data openbaar gemaakt wordt en hoe (en of) verwezen wordt naar de maker.

Naast al deze meer principiële vraagstukken zijn er ook een grote hoeveelheid technische punten die gecoördineerd moeten worden om te verzekeren dat de data of de databanken compatibel en interoperbel zijn. Hierbij zijn de FAIR-principles natuurlijk leidend, maar die bieden vooralsnog onvoldoende houvast.

Huidige initiatieven

Bewust van deze problematiek en het belang van een goed Open Data-beleid werkt de EU vanuit een aantal verschillende invalshoeken om dit beleid werkelijkheid te maken. Ten eerste kan gewezen worden op de wijze waarop de EU Open Data stimuleert in de door haar gefinancierde onderzoeksprojecten. Bij alle onderzoeksfinanciering die de EU op basis van het Horizon2020 onderzoeksprogramma verstrekt is de standaard optie dat de data Open Access gepubliceerd wordt Dit is echter slechts een ‘default option’waar vrij gemakkelijk van afgeweken kan worden.[9]Daarnaast werkt de EU aan de ‘EU Science Cloud’ waar data opgeslagen en toegankelijk gemaakt kan worden.[10]

Momenteel in ontwikkeling zijn de Digital Single Market-richtlijn (“DSM”) en een herziening van de Public Sector Information-richtlijn (“PSI”).[11]De DSM-richtlijn introduceert een auteursrechtelijke exceptie voor onderzoeksinstituten waardoor deze onder enige IE-restricties aan tekst en datamining kunnen doen. In de herziening van de PSI-richtlijn wordt de verplichting voor lidstaten en de nationale onderzoeksfinancieringsinstituten gecreëerd om beleid op te stellen voor Open Data. Ook moeten alle reeds openbaar gemaakte onderzoeksdata aan de herbruikcriteria uit de PSI-richtlijn gaan voldoen.

Opvallend bij al deze initiatieven is dat de universiteiten en de onderzoekers zelf geen rol lijken te spelen bij het opstellen van de voorwaarden waaronder hun onderzoeksdata openbaar gemaakt wordt. Daarnaast blijkt ook duidelijk uit deze op sommige van huidige initiatieven dat lang niet alle problemen geadresseerd worden.

Bottom-up harmonisatie?

De enorme wetenschappelijke en maatschappelijke voordelen die het openbaar beschikbaarstellen van de onderzoeksdata kan bieden staan buiten kijf. Uit het bovenstaande blijkt echter duidelijk dat deze toekomstdroom nog niet zo simpel te realiseren is. Een grote hoeveelheid obstakels, juridisch en niet-juridisch, compliceren en vertragen de implementatie van dit potentieel revolutionaire beleid. Stappen worden gezet om deze één voor één te ruimen, maar de voortgang is langzaam, te weinig gecoördineerd de echte experts, de onderzoekers en universiteiten, worden onvoldoende betrokken in het vormgeven van dit beleid. Duidelijkheid moet verschaft worden over de IE-rechtelijke positie van de data, de licentie problematiek en de technische compatibiliteit moet aangepakt worden, en het moet aantrekkelijk zijn voor wetenschappers om hun data te publiceren.

Enerzijds schreeuwen deze problemen om harmonisatie en het opstellen van gemeenschappelijke spelregels, maar anderzijds is gedifferentieerd beleid toegespitst op wat de onderzoekers en universiteiten nodig hebben noodzakelijk. De EU zal op een zeer dunne lijn moet balancerenwaarbij tegelijkertijd het beleid op maat gemaakt wordt vóór en dóór de universiteiten terwijl het beleid niet dusdanig gedifferentieerd wordt dat van de broodnodige harmonisatie en standaardisatie geen sprake meer is. Echter, wanneer deze acrobatische act correct uitgevoerd wordt zal het de wijze waarop wetenschap bedreven wordt blijvend veranderen en zal de maatschappelijke impact ongekend zijn.

Naomi Appelman



[1]                Zie https://www.coalition-s.org/voor meer informatie

[2]                Gebaseerd op gezaghebbende definities uit: Suber, P., Open Access, Massachusetts Institute of Technology Press Essential Knowledge Series,       Cambridge, MA, 2012, p. 4  en de Budapest Open Access Initiative, Februari 14, 2002, bron: http://www.soros.org/openaccess

[3]                  Wilkinson, M. D., e.a., “The FAIR Guiding Principles for scientific data management and stewardship”, Scientific Data, 15 March 2016, DOI: 0.1038/sdata.2016.18

[4]                Zie bijvoorbeeld artikel 1, sub 7 van de voorgestelde herziening van de PSI-directive, COM/2018/234 final – 2018/0111 (COD)

[5]                Voor uitwerkingen van de mogelijke voordelen van Open Databeleid zie onder andere: Dodirina, C., Eisenstadt, A.R., Onsrud, H. & Uhlir, P.F., Legal Approaches for Open Access to Research Data, CC BY 4.0, augustus 2016, p. 3-4; OECD Recommendation of the Council concerning access to research data from public funding 29 November 2009 C(2006)184

[6]                Bijvoorbeeld de Creative Commons CC BY 4.0 licentie. Zie  https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/deed.en voor meer uitleg

[7]                Voor meer uitleg over de complexe juridische status zie bijvoorbeeld : Dodirina, C., Eisenstadt, A.R., Onsrud, H. & Uhlir, P.F., Legal Approaches for Open Access to Research Data, CC BY 4.0, augustus 2016; Giannopoulou A., “Understanding open data regulation: An analysis of the licensing landscape” in van Loenen B. et. Al. (eds.), Open Data Exposed, Information Technology and Law Series 30, 2018 https://doi.org/10.1007/978-94-6265-261-3_6, pp. 101-125

[8]                Voor een uitgebreide uiteenzetting van deze problematiek zie Giannopoulou A., “Understanding open data regulation: An analysis of the licensing landscape”              IN van Loenen B. et. Al. (eds.), Open Data Exposed, Information Technology and Law      Series 30, 2018 https://doi.org/10.1007/978-94-6265-261-3_6, pp. 101-125

[9]                Guidelines on Open Access to Scientific Publications and Research Data in Horizon 2020, 21 March 2017

[10]              Commission communication (EU) 2016/178 of 19 April 2016 on European Cloud Initiative –                    Building a competitive data and knowledge economy in Europe

[11]              Proposal for a Directive on copyright in the Digital Single Market COM/2016/0593 final – 2016/0280 (COD);

                  Proposal for a Directive on the re-use of public sector information (recast) COM/2018/234 final – 2018/0111 (COD)