INFORMAIL 2018/2019

Met bloed, zweet en tranen heeft de Redactiecommissie zich het afgelopen jaar weer ingezet om de nieuwe Informail samen te stellen. Met veel trots presenteren wij aan u: De Informail van het studiejaar 2018/2019! 

Bekijk ‘m via onderstaande link:

Informail 20182019

Internetscriptieprijzen 2019

 Internetscriptieprijzen 2019

Ook in 2019 stellen Google, Brinkhof, SIDN-Fonds en Greenhost vier prijzen beschikbaar van elk 2.000 Euro voor de beste afstudeerscripties over een internet-gerelateerd onderwerp.

De scriptieprijzen zijn bedoeld voor masterstudenten die in het kalenderjaar 2018 of 2019 (uiterlijk 31 augustus 2019) afgestudeerd zijn aan een Nederlandse instelling voor wetenschappelijk onderwijs.
Er zijn vier prijzen:

  • De Google-prijs voor de beste scriptie op het gebied van internet & economie;
  • De Brinkhof-prijs voor de beste scriptie op het gebied van internet & recht;
  • De SIDN Fonds-prijs voor de beste scriptie op het gebied van internet & maatschappij- of geesteswetenschappen;
  • De Greenhost-prijs voor de beste scriptie op het gebied van internet & technische wetenschappen.

Scripties kunnen vanaf 25 juni digitaal worden ingediend via het aanmeldformulier op de website www.internetscriptieprijs.nl door de scriptiebegeleider of door de student zelf. Deadline voor nominaties is 8 september 2019. 

Veel patiënten en een gebrek aan patenten: data-exclusiviteit en ontwikkelingslanden

Door Erwin Feenstra

De World Health Organization heeft vastgesteld dat er jaarlijks 14 miljoen mensen overlijden aan infectieziekten, waarvan 90% zich in ontwikkelingslanden bevindt. Dit is deels te wijten aan het feit dat deze ontwikkelingslanden geen adequate toegang hebben tot medicijnen, aangezien het grootste gedeelte van de farmaceutische octrooien westerse uitvinders heeft.

Indien je een technische uitvinding doet, waaronder een farmaceutische uitvinding, is het mogelijk om aan de voorwaarden voor een octrooi te voldoen. In ruil voor de geleverde inspanningen krijgt de uitvinder, in de vorm van een monopolie, een recht om te bepalen wat er met de uitvinding gebeurt. Op internationaal niveau zijn er afspraken gemaakt over de bescherming die er aan uitvinders toekomt. Deze afspraken zien onder andere op de beschermingstermijn van de uitvinding. Het belangrijkste verdrag hierbij is het TRIPS-verdrag.

Een solide internationale bescherming van de octrooihouder heeft enerzijds het positieve gevolg dat het de prikkel vormt voor innovatie en de vooruitgang, maar anderzijds het negatieve gevolg dat de toegang voor de ontwikkelingslanden, tot de voor hen belangrijke medicijnen, beperkt blijft. Om deze reden hebben de TRIPS-lidstaten onderling afgesproken dat de termijn voor octrooibescherming minimaal 20 jaar is. Na 20 jaar heeft iedereen toegang tot de medicijnen, tenzij de bescherming van de beschermingstermijn wordt uitgebreid.

20 jaar kan door de lezer reeds als een lange termijn worden aangemerkt, maar het is mogelijk deze bescherming door bilaterale verdragen, de zogenaamde ‘’Free Trade Agreements’’ (FTA’s), tussen de lidstaten nog verder uit te breiden. In deze aanvullende afspraken kan namelijk de zogenaamde dataexclusiviteit worden vastgelegd. Data-exclusiviteit betreft geen intellectueel eigendomsrecht, maar wel een uitbreiding van de beschermingsomvang van het geoctrooieerde medicijn. Het gaat hierbij om de bescherming van de data, tot stand gekomen door klinische onderzoeken, die de uitvinder aan de autoriteiten van de staat moet overleggen om de veiligheid en de effectiviteit van het product te garanderen voordat het medicijn op de markt wordt geïntroduceerd.

Enerzijds is te verdedigen dat data-exclusiviteit gerechtvaardigd is, aangezien de kosten voor de ontwikkeling en het op de markt brengen van een medicijn geschat worden op 1 miljard dollar. Het doen van klinische onderzoeken legt voor 65% beslag op deze kosten.

Anderzijds heeft data-exclusiviteit aanmerkelijke gevolgen. Indien er geen data-exclusiviteit is bedongen, kan een generieke medicijnproducent de klinische data van de uitvinder van het geoctrooieerde medicijn gebruiken om te bewijzen dat het generieke medicijn veilig en effectief is. De generiek kan zich op deze data baseren en hoeft niet meer zijn eigen onderzoeken te verrichten. Dit heeft twee voordelen, namelijk: kostenbesparing en het vermijden van onethische gevolgen van het doen van ‘’dubbel klinisch onderzoek’’.

In het hiernavolgende zal worden ingegaan op het onethische karakter van ‘’dubbel klinisch onderzoek’’. Om een medicijn op de markt te brengen, dien je voldoende klinische data te hebben om te bewijzen dat het medicijn veilig en effectief is. Bij een klinisch onderzoek vallen de onderzoeksgroepen uiteen in twee groepen, namelijk de testgroep (A) en de controlegroep (B). Beide groepen bestaan uit patiënten met een en dezelfde ziekte, waarbij groep A het (in potentie) werkende medicijn en groep B een placebo toegediend krijgt. In geval van positieve onderzoeksresultaten kan het werkende medicijn uiteindelijk op de markt worden gebracht. Dit heeft hypothetisch gezien het positieve neveneffect dat de klachten van patiënten uit groep A zijn verminderd of verholpen. Patiënten uit groep B hebben hier een mogelijk nadeel, aangezien zij niet de werkende stof toegediend hebben gekregen en zij, hypothetisch gezien, door het verloop van de onderzoekstermijn verder achteruit zijn gegaan.

Bij het verlengen van de octrooitermijn, door het bedingen van data-exclusiviteit, ontstaat er het onethische gevolg dat de generiek geen gebruik mag maken van de onderzoeksdata, zelfs al heeft de generiek een bioequivalent. Het onderzoek dient, als vereiste voor introductie van het medicijn, door de generiek opnieuw te worden uitgevoerd met wederom de testgroep (A) en controlegroep (B). Het gevolg hiervan is dat, ondanks het bestaan van een werkend medicijn, groep B (50% van de deelnemers van het onderzoek) een placebo toegediend krijgt. Dit komt de gezondheid van groep B logischerwijze niet ten goede.

Zoals zojuist genoemd zijn de gevolgen van data-exclusiviteit dat octrooibescherming langer kan zijn dan 20 jaar om de inspanningen van de uitvinder te beschermen en dat het onethische gevolgen met zich mee kan brengen. De Europese Unie geeft door verschillende acties blijk van haar aandacht voor toegang tot medicijnen, ter bevordering van de volksgezondheid in ontwikkelingslanden, door in handelsverdragen te verwijzen naar de Doha Declaration.

Tegelijkertijd blijkt dit een tandeloze tijger, aangezien de relevante bepalingen van de handelsverdragen regelmatig TRIPS-plus bepalingen omvatten, betreffende data-exclusiviteit. Kortom, de Europese Unie pretendeert veel te doen om toegang tot medicijnen en de bescherming van de gezondheid in ontwikkelingslanden te bevorderen, terwijl zij de onderzoeksdata, door middel van data-exclusiviteit in een scala van handelsverdragen, een uitgebreidere beschermingsomvang toekent.

De oplossing voor het spanningsveld tussen de bescherming van octrooihouders door data-exclusiviteit enerzijds en de toegang tot de onderzoeksdata voor ontwikkelingslanden anderzijds is meerledig. Het uitgangspunt bij formulering van deze oplossing is dat het belang van de bescherming van de octrooihouder, die zich heeft ingespannen om een medicijn op de markt te brengen, niet uit het oog moet worden verloren. Tegelijkertijd hebben landen, maar ook ontwikkelaars, de morele verplichting om onderzoeksdata toegankelijk te maken voor ontwikkelingslanden. De auteur stelt allereerst voor dat de onderzoeksdata, die in de huidige situatie exclusief is, onder het regime van de dwanglicentie van art. 31 TRIPS moeten worden gebracht. Dit betekent dat, onder strenge omstandigheden en ondanks het bestaan van een FTA, deze onderzoeksdata moeten kunnen worden verkregen door middel van een dwanglicentie. Denk hierbij aan het beschikbaar maken van onderzoeksdata in het geval van een uitgebroken epidemie. Ten tweede, echter een stap verder, is het creëren van een goed doorzoekbare databank, waarin alle data betreffende alle klinische onderzoeken voor ontwikkelingslanden openbaar wordt gemaakt, ongeacht de vraag of de resultaten positief; negatief; neutraal of zonder conclusie zijn.

Indien het voor westerse landen mogelijk is om voornoemde voorstellen te realiseren, zijn we een stap dichterbij de situatie waarin ontwikkelingslanden medicijnen kunnen verstrekken aan de zieke bevolking. De boodschap aan de farmaceutische industrie en de TRIPS-lidstaten is: houd oog voor het patent, maar neem tevens de verantwoordelijkheid voor de patiënt.

Bibliografie

Adams en Brantner 2006

C. P. Adams en V. V. Brantner, Estimating the Cost of New Drug Development: Is It Really $802 Million? Health Affairs, maart 2006, beschikbaar via: doi:10.1377/hlthaff.25.2.420PMID 16522582.

AIPPI 2018, p. 4

International Association for the Protection of Intellectual Property, Position paper in response to the United Nations Secretary-General’s High Level Panel Report of the United Nations Secretary-General’s High Level Panel on Access to Medicines, 19 Februari 2018, beschikbaar via: http://aippi.org/wp-content/uploads/2018/08/AIPPI-Position-Paper-on-UNSG-HLP-Report-on-Access-to-Medicines_19February2018_final.pdf

Correa 2007

C. Correa, TRIPS and TRIPS-Plus Protection and Impacts in Latin America, in Intellectual Property, Trade and Development: Strategies to Optimize Economic Development in a TRIPS-Plus Era 221 (Daniel Gervais ed., 2007).

Holland 2013

J. Holland, Fixing a broken drug development process, Journal of Commercial Biotechnology, 1 januari 2013, beschikbaar via: doi:10.5912/jcb588

Khoury 2008

A.H. Khoury, ‘’The Public Health of the Conventional International Patent Regime & Ethics of Ethicals: Access to Patented Medicines’’, CAELJ 25, 2008

WHO 2017, p. 2

World Health Organization, Data exclusivity and other ‘’trips-plus’’ measures, 2017, beschikbaar via: https://apps.who.int/iris/bitstream/handle/10665/272979/Data-exclusivity.pdf?sequence=1&isAllowed=y

WTO 2001

World Trade Organization, DECLARATION ON THE TRIPS AGREEMENT AND PUBLIC HEALTH, 14 november 2001

SVIR ZOEKT NIEUWE BESTUURSLEDEN

De Studievereniging voor Informatierecht is weer opzoek naar nieuwe bestuursleden voor het jaar 2019/2020!
Lijkt het jou leuk om naast je master informatierecht betrokken te zijn bij het organiseren van alle activiteiten voor onze actieve studievereniging? Twijfel dat niet en solliciteer!

Als bestuur ben je verantwoordelijk voor het draaiend houden van de hele studievereniging. De SViR is kleinschalig en daarom des te leuker: iedereen wordt lid en iedereen is actief betrokken. We organiseren zowel studiegerelateerde als sociale activiteiten, en aan het einde van het jaar vindt de grote studiereis plaats. Lijkt dit jou de perfecte toevoeging aan jouw master Informatierecht? Geef je dan nu op door de CV en sollicitatiebrief te mailen naar secretaris@svir.nl. Je kunt solliciteren voor één van de volgende functies: voorzitter, secretaris, commissaris extern of penningmeester. Mocht je vragen hebben (over één van deze functies), schroom dan niet om contact met ons op te nemen via bovenstaand mailadres of het algemene mailadres van de SViR: stuvir@gmail.com.

We zien jullie sollicitaties graag tegemoet!

Een reisje door de IE-jungle: don’t feed the animals!

Door Julia van der Veen

Je zou het niet denken, maar ook dieren kunnen IE-rechtelijk beschermd worden. Heb je daar ooit bij stilgestaan bij het pakken van een bokkenpootje, apenkop of roze biggetje? Eentje kun je er nog wel eten zonder een schuldgevoel te krijgen maar meer gevaarlijke dieren zoals poema’s, tijgers of dino’s kun je misschien maar beter niet uit hun verpakking lokken. Een illustratie van drie IE-dierenzakendon’t feed the animals!

Puma’s

In de IE-jungle begon het natuurlijk allemaal met het HvJEU-arrest Puma/Sabel uit 1997 waarin de vraag voorlag of de springende roofkat van Sabel inbreuk maakte op de poema van Puma. Het HvJEU oordeelde dat hoe groter de onderscheidingskracht van een merk is, hoe groter het verwarringsgevaar is. Dat verwarringsgevaar moet beoordeeld worden aan de hand van de visuele, auditieve en begripsmatige gelijkenis en de totaalindruk die de merken oproepen. De gemiddelde consument neemt namelijk een merk in zijn geheel waar en let niet op de verschillende details ervan.

Tijgers & giraffen

Dat in gedachte hebbende, was er eens de Tijgernoot van het welbekende merk Duyvis. De bamischijf onder de borrelhappen, de snack die je alleen maar eet als al het andere écht op is en waarvan je nooit weet of het nou de baconkaas, de BBQ-paprika of de paprikafiestavariant is. Op een dag verscheen ergens in de bovenste schappen in de Aldi-supermarkten de Girafnoot. Verkrijgbaar in de smaak baconkaas, in vergelijkbare kleur– en vorm en vormgegeven in dezelfde junglegroene verpakking als de Duyvis Tijgernoot. Over auteursrecht op (bacon)-kaassmaak valt natuurlijk niet te twisten, zo leerden wij van de Heksenkaas-affaire. Frito-Lay, de eigenaar van Duyvis stak zijn claim dan ook merkenrechtelijk in.

Tijger woordmerk

De Gelderse rechter oordeelde op 27 maart jl. allereerst dat het woordmerkTijgernootjes’ niet zó bekend is dat het tot soortnaam verworden is. Jammer genoeg verwees Intersnack, het bedrijf achter de Girafnoot bij zijn claim slechts naar een bronloze publicatie (hier te vinden) waar het Tijgernootje wordt gedefinieerd als ‘een borrelnoot waarvan het krokante laagje meerdere kleuren heeft. Waarschijnlijk heeft de advocaat van Intersnack bij zijn spreekbeurten, al dan niet over borrelnootjes, op de basisschool niet geleerd dat Wikipedia geen betrouwbare bron is. Daarnaast oordeelde de rechter dat het teken Girafnoot geen inbreuk maakt op het woordmerk Tijgernoot. Tijgers en giraffen stemmen auditief, begripsmatig en visueel verrassend genoeg niet voldoende overeen waardoor er geen verwarringsgevaar ontstaat.

Tijger vorm- en beeldmerk

Over het uiterlijk van de Tijgernoot bleef Frito-Lay op haar strepen staan. Het bedrijf beriep zich op het samengestelde vorm en kleurmerk van de Tijgernoot: de geschakeerde oranje, bruine en gele kleurcombinatie toegepast op de specifieke ronde nootvorm. De rechter oordeelde dat het patroon van de tijgernoot voldoende karakteristiek en herkenbaar is voor het publiek en dat Tijgernootjes dus voldoende onderscheidend vermogen hebben. Dit ondanks dat het onmogelijk is om fabrieksmatig alle noten er hetzelfde uit te laten zien.

Intersnack betoogde dat door toepassing van het procedé waar Frito-Lay een – inmiddels verlopen octrooi op heeft, de tijgernootjes naar hun aard een fraai en aantrekkelijk gevlekt uiterlijk hebben. Door een merkenrecht toe te kennen op het gevlekte uiterlijk van de Tijgernootjes, zou zo via dat merkenrecht een algemene beschikbaarheid van innovatie – lees de mogelijkheid om nootjes een gevlekt uiterlijk te geven – tegen worden gehouden. Jammer genoeg ging de rechter hier verder niet op in. Wel oordeelde deze in lijn van het Louboutin-arrest van het HvJEU dat het niet alleen om een bescherming van de vorm van de Tijgernoot gaat, maar juist om het kleurpatroon op die ronde tijgernootvorm. Zo ontkomt Frito-Lay dus aan ‘aard van de waar’ en de ‘wezenlijke waarde van de waar’-beperkingen. Helaas is de Tijgernoot al ingeschreven voor 1 maart 2019 waardoor de rechter het gewijzigde BVIE-artikel buiten beschouwing laat waarin niet alleen de vorm maar ook ‘een ander kenmerk’ van het product moet worden meegenomen in de beoordeling. We zullen dus nooit weten of de rechter de kleurencombinatie te mooi zou vinden om voor merkenrechtelijke bescherming in aanmerking te komen.

Al met al zal het publiek, al dan niet borrelnootliefhebber, in Girafnootjes hetzelfde patroon herkennen als in Tijgernootjes, terwijl de verschillen tussen individuele noten aan de aandacht van de gemiddelde consument zullen ontsnappen. Daarmee is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van identieke merken en zetten de tijgers de giraffen buitenspel. Op de vraag of de Tijgernoot een bekend merk is geeft de rechter helaas geen antwoord. Als de consument alleen al een verband tussen de Tijger- en Girafnoot ziet dan zou dat al op zich al een sterke aanwijzing voor merkinbreuk zijn geweest. En tsja, de gemiddelde consument weet dat Wikipedia, waar onder het kopje borrelnoot slechts de Tijgernoot en niet de Girafnoot staat vermeld, toch wel wereldfaam genereert.

Dino’s

Dan nog even een kort uitstapje naar het warme zuiden van Europa, waar de Catalanen nog in het Dinotijdperk leven. Daar oordeelde de Commercial Court of Barcelona in een met de Tijgernootjes vergelijkbare zaak dat een dinosauruskoekje niet gemonopoliseerd kan worden.

Dino woordmerk

Allereerst oordeelde de rechter dat het woordmerk ‘Dinosaurus’ van Artiach, het moederbedrijf van de Dinos, auditief, visueel en begripsmatig niet voldoende overeenstemt met het teken ‘Galle Sauros’ van Florbu. De woorden klinken immers anders en een galle sauros is toch echt niet hetzelfde als een dinosaurus.

Dino beeld- en vormmerk

Ook besloot de Spaanse rechter dat het beeldmerk wat Artiach inriep niet het driedimensionale merk op de koekjes omvat, maar slechts een vrij algemene weergave van dinosaurussen. Tsja, daar win je het niet mee. De dinosaurusvorm bleek onvoldoende onderscheidend vermogen te bezitten en Artiach kon geen inbreuk claimen op basis van haar dinosaurus-merkenrecht.

Ook nam de rechter in zijn beoordeling nog mee dat Dinosauruskoekjes in zakjes zijn verpakt en bestemd zijn als tussendoortje, terwijl Galle Sauros koekjes meer bedoeld zijn om thuis te eten als cornflakes. Ook de verpakking van de Galle Sauros koekjes maakte dus geen inbreuk op de verpakking van de Dinos en zo ontsnapten de Galle Saurossen aan een grote meteorietinslag.

Don’t feed the animals they feed you

Concluderend is de moraal van het verhaal: laat jezelf lekker gaan als je na het lezen van dit verhaal toch nog zin hebt in een Tijgernootje of een Dinokoekje. Uiteindelijk gaat het namelijk allemaal om de smaak, die nog wel vrij rond kan lopen in de IE-jungle. Girafnootjes zijn wel even tijdelijk uit de schappen, maar wie weet verschijnt er binnenkort toevallig een meer onschuldige hamster- of cavia borrelnootvariant waarvan het verwarringsgevaar met de tijger al helemaal niet aan de orde is. En wat betreft de Dino’s, die zijn toch uitgestorven, dus maak je geen zorgen!

AANKOMEND MASTERSTUDENTEN OPGELET!

De aanmelding voor de master Informatierecht is geopend. Heb jij affiniteit met het informatierecht, en wil jij een leuk en leerzaam jaar beleven samen met een groep andere gemotiveerde studenten? Meld je dan zo snel mogelijk aan op de website! Wij kunnen de opleiding in ieder geval van harte aanbevelen! De inschrijving staat nog tot 15 mei open.

https://www.uva.nl/programmas/masters/informatierecht/informatierecht.html?1556094718971

 

How European media law and policy should deal with selected challenges and opportunities for quality journalism in the digital age

Reading time: 4 minutes and 39 seconds (931 words).
By: Sara Azerki

This statement could also contain the terms computer age, information age or the new media age instead of the digital age since all of these terms are interchangeable with each other and refer to an economy based on information technology.    

MSI-JOQ AS A RESPONSE TO A WIR-WAR OF NEWS

Last February 2018 the newly formed Committee of experts on quality journalism in the digital age (‘MSI-JOQ’) filled a Draft Recommendation, which contains criteria and measures for ensuring a favourable environment for the practice of quality journalism in the digital age. Because the Council of Europe (‘COE’) is aware of the internet as a unique environment for the exercising of human rights, the COE drafts standard settings to address challenges to ensure people’s maximum freedom and safety. Those standard settings are often achieved in collaboration with experts, just like this cooperation with the MSI-JOQ. The main purpose of the (draft) recommendation is to clarify the important role that journalists play in providing accurate and relevant information, free from a double agenda. Since the challenges and opportunities resulting from the changes brought by the digitalisation of the media environment are changing, the (draft) recommendation tries to recognize both established and new media actors who contribute to the public debate by journalistic activities and who fulfil a public watchdog function.   

Yep, we have to admit that we are about to leave the third industrial revolution also known as the digital revolution. This third industrial revolution, which began somewhere in 1950-1970, famous for replacing mechanic and analogue electronics by digital electronics and in which the world wide web (‘www’) was launched for the first time in 1991. Ever since, information became quickly, widely and easily available through upcoming technology and nowadays we can use more than just the world wide web: we have the right of accessing the Internet of Things (ECtHR December 18, 2012, Yildirim v. Turkey). The increased amount of available information and technological developments have the effect of causing our human lives to emerge more and more with technology. That is why according to Klaus Schwab we already living in the fourth industrial revolution. Since information is now everywhere in this digital age, we need journalists more than ever.

But why do we need journalists more than ever since all the information is already available? According to Richard Sambrook, the answer is information smog (see his interesting Ted Talk “Information Smog”). Since so many new media actors are joining the public debate, the more discussion, the more complexity there is. We, as a citizen, are not able to filter all this information enough to use it for a better purpose, as a consequence, this information smog can generate more and more filter bubbles. Moreover, keeping in mind that by the advanced technology many citizen-journalists and intermediaries can edit, minister and create media content, compliance with journalistic ethics takes on added importance (ECtHR December 10, 2007, Stoll). After all, news in its raw form is different from journalism (see the video of Margo Smit, “Why do we still need journalists now that we have Twitter?”).  

Just a little recap… Journalists play an important role in a democratic society. They are responsible for distributing information and thereby creating a platform for the public debate: they have a public watchdog function (ECtHR April 26, 1979, Sunday Times, ECtHR November 26, 1991, The Observer and Guardian). Based on Article 10(1) ECHR everyone has the right to freedom of expression which also contains the right to be informed about all public matters (ECtHR February 24, 1997, De Haes and Gijsels) without interference and to participate in the public debate. These human rights apply either online or offline (see COE’s “Guide to human rights for internet users”). But you don’t get something for nothing: this right of freedom of expression is subject to certain duties and responsibilities, which varies per situation, per person and per used technology. In other words, Article 10 ECHR protects journalists on spreading information on issues of general interest provided that they are acting in good faith and on an accurate factual basis and provide reliable and prices information in accordance with the ethics of journalism. (ECtHR January 21, 1999, Fressoz en Roire).

So the important question is not whether human rights apply equally online and offline because they do, but whether standards of journalistic ethics apply equally to other media actors such as citizen- journalists and online news media platforms. By extending the same rights and duties of journalism to new media actors contributing to the public debate or in a function of public watchdog, a chilling effect can maybe occur to exercise their freedom of expression. Maybe this chilling effect can reduce the wir-war of news.

Because of the overload of information in the digital age, we need our information to be fact-checked and trustworthy. Because of this idea, we can not just leave the creation of news to the new media actors for whom is not sure whether they fall under the ethics of journalism. Luckily, journalism has always known different variants and different goals and its core character shall – hopefully – possibly be strengthened further as more actors participate in an increasingly noisy public debate (T. McCongale, “How to address current threats to journalism?”). Furthermore, we as recipients must always be critical and use our media literacy in the new media age.

The (draft) Recommendation of the MSI-JOQ is based upon both existing standards of the Council of Europe and case-law of the European Court of Human Rights and seeks to elaborate on this topic further.

Interested in this topic? On the 21st and 22nd of March 2019, the MSI-JOQ holds its third meeting. The agenda for this meeting is already online. Moreover, some of the above links refer to interesting videos about the quality of journalism.